In de wereld van vandaag is Ridderschap der Provincie Groningen een onderwerp dat de aandacht heeft getrokken van miljoenen mensen over de hele wereld. Of het nu vanwege de relevantie ervan in de huidige samenleving, de impact ervan op het dagelijks leven of het historische belang ervan is, Ridderschap der Provincie Groningen blijft een onderwerp dat debat, interesse en nieuwsgierigheid in de hoofden van mensen opwekt. Daarom is het essentieel om alle aspecten die verband houden met var1 grondig te analyseren, vanaf de oorsprong tot de evolutie ervan vandaag de dag, om de ware betekenis en invloed ervan op verschillende gebieden van het dagelijks leven te begrijpen. In dit artikel zullen we enkele van de meest relevante facetten van Ridderschap der Provincie Groningen onderzoeken om het belang en de impact ervan op de hedendaagse samenleving te begrijpen.
De Ridderschap der Provincie Groningen heeft in het Koninkrijk der Nederlanden bestaan als staatkundige instelling tussen 1814 en 1850 en is in 1853 opgeheven. Een particuliere organisatie met die naam is opnieuw opgericht in 2012.
Bij de Nederlandse Grondwet van 1815 was een bijzondere positie bepaald voor de edelen of ridderschappen, omdat zij als kiescollege zouden fungeren voor de samenstelling van de Provinciale Staten. Met uitzondering van Zeeland en Friesland werden in elke Nederlandse provincie in 1814 ridderschappen opgericht, dus ook in Groningen. Ter samenstelling van die ridderschappen benoemde de Koning de leden van die ridderschappen, die door die benoeming tevens tot de Nederlandse adel gingen behoren, veelal aanvankelijk met het predicaat jonkheer. Koning Willem I benoemde bij organiek besluit van 28 augustus 1814 tientallen personen in de verschillende ridderschappen, van wie 25 in de ridderschap van de provincie Groningen; in de twee provincies zonder ridderschap werden personen "erkend als edele" van die provincie. Voor de eerste vergadering van 30 maart 1815 werden nog vier personen benoemd. Twee namen geen zitting, zodat uiteindelijk in de eerste vergadering 27 personen ter zitting konden verschijnen.
De meeste benoemde leden waren afkomstig van slechts enkele families, deels ook uit families die eertijds de Ommelander adel hadden gevormd. Zes van de 27 leden waren lid van de familie Alberda, zes van de familie Lewe. Tot 1819 vond benoeming in de ridderschap plaats door de Koning, erna bepaalde de ridderschap zelf wie in ridderschap benoemd kon worden. Daarbij moesten enkele eisen in acht worden genomen, die waren vastgelegd in een op 3 juli 1816 door de Koning goedgekeurd Reglement voor de Ridderschap der Provincie Groningen: in de eerste plaats moest men behoren tot de Nederlandse adel en daarnaast een mate van welstand hebben die van provincie tot provincie verschilde. Vanaf 1820 was bepaald dat het aspirant-lid ook gedurende twee jaar in de provincie woonachtig moest zijn.
Met de Grondwetsherziening van 1848 kwam aan de staatsrechtelijke betekenis van de ridderschap een einde doordat de provinciale staten direct gekozen zouden gaan worden. Met de inwerkingtreding van de Provinciewet van 6 juli 1850 viel daarmee het staatsrechtelijke bestaansrecht van de Groninger ridderschap weg. Die vergaderde officieel een laatste maal op 1 juni 1850, waarna in een bijeenkomst van 14 april 1853 de ridderschap zichzelf ophief als rechtspersoon. Tussen 1814 en 1853 waren in totaal 63 personen lid geweest van de Groninger ridderschap.
Na de opheffing van de ridderschap werd een Commissie van Liquidatie ingesteld die het financieel fonds dat gediend had ter dekking van de kosten van de ridderschap moest liquideren. Finale vereffening vond uiteindelijk pas plaats in 1882, na het overlijden van de administrateur van het fonds, jhr. mr. U.W.F. van Panhuys; het restant, dat 88 gulden bedroeg (≈ € 1000 in 2013), werd toen geschonken aan het Instituut voor Doofstommen.
In 2012 werd opnieuw een ridderschap in Groningen opgericht, een particuliere organisatie.
De belangrijkste taak van de ridderschap was de verkiezing uit hun midden van de leden van provinciale staten. Door de edele stand werden in de staten twaalf van de totaal 36 statenleden benoemd; later dienden ook plaatsvervangers te worden gekozen. In 1814 werden de eerste statenleden door de Koning benoemd, in 1816 vond de eerste verkiezing plaats door de ridderschap zelf.