In de wereld van vandaag heeft Oudnederfrankisch onbetwistbare relevantie gekregen. Of het nu vanwege de impact ervan op de samenleving, cultuur of politiek is, Oudnederfrankisch is een constant gespreksonderwerp geworden. De invloed ervan strekt zich uit tot alle aspecten van het leven, waardoor tegenstrijdige meningen en voortdurend debat ontstaan. In dit artikel zullen we het belang van Oudnederfrankisch diepgaand onderzoeken, waarbij we de implicaties ervan en de rol ervan in de hedendaagse wereld analyseren. Door middel van een gedetailleerde analyse zullen we proberen beter te begrijpen hoe Oudnederfrankisch onze realiteit heeft gevormd en wat de toekomstige projectie ervan is.
Met het Oudnederfrankisch wordt verwezen naar de Nederfrankische dialecten die vanaf de vijfde tot en met de elfde eeuw in een groot deel van Nederland en België, westelijk deel van Noord-Frankrijk en in het huidige Duitsland in het Rijnland en Westfalen werd gesproken. Dit Germaanse dialect bestond uit twee hoofddialecten: het Oud-Oostnederfrankisch en het Oud-Westnederfrankisch.
In grote lijnen komt dit overeen met wat er in de historische taalkunde onder Oudnederlands wordt verstaan. Met deze laatste term wordt vooral benadrukt dat het om een oudere fase van het huidige Nederlands gaat. Het Oudnederlands was in hoge mate gebaseerd op het Oud-oost- en Oud-westnederfrankisch, waarmee "Oudnederfrankisch" dus in feite een iets bredere term is die onder meer het Oudnederlands omvat.
Het oudst overgeleverde Oudnederfrankisch wordt gevonden in de Lex Salica. In 1996 is echter in een akker in Bergakker (Betuwe) een zwaardschede gevonden waarop nog ouder Oudnederfrankisch is vermeld: Runeninscriptie van Bergakker. Het hierop overgeleverde Oudnederlands, geschreven in het runenschrift, is echter beperkt en kan maar gedeeltelijk, met voldoende zekerheid, worden vertaald c.q. gelezen.
Het gebied waarin het Oudnederfrankisch werd gesproken komt niet helemaal overeen met het huidige Nederlandse taalgebied.
In de huidige provincies Groningen en Friesland en langs de kust van Holland werd Fries gesproken, of althans ingvaeoonse dialecten. In het oosten (Achterhoek, Overijssel, Drenthe) werd Saksisch (Oudnederduits) gesproken.
In het zuiden en zuidoosten was het toenmalige taalgebied groter dan nu. Frans-Vlaanderen, de Maas- en Sambervallei en het Nederrijnse gebied tussen Limburg en Westfalen (Kleef, Berg en Gulik) hoorden toen bij het Oudnederlandse taalgebied.
Willy Sanders pleit ervoor om de term Oudnederfrankisch volledig te vervangen door Oudnederlands.[1]